Anita van Loenhoud

Anita van Loenhoud werkt sinds 2014 bij het Alzheimcentrum als neuropsycholoog en wetenschapper. Als onderzoeker is zij gefascineerd door de veerkracht en weerbaarheid van onze hersenen, ook wel ‘cognitieve reserve’ genoemd. Cognitieve reserve is een veelgebruikte term, maar veel mensen weten niet precies wat het betekent. We stelden Anita daarom een paar vragen over haar onderzoek.

Wat is cognitieve reserve?

De ziekte van Alzheimer wordt veroorzaakt door de stapeling van twee ‘schadelijke eiwitten’: amyloïd en tau. Het kan echter wel 15 tot 20 jaar duren voordat die stapeling bij patiënten tot waarneembare symptomen leidt, zoals vergeetachtigheid. Vooral mensen met een bovengemiddeld IQ, een hoge opleiding en een actieve leefstijl zijn in staat om nog héél lang op normaal niveau blijven functioneren ondanks toenemende hersenschade. Dit fenomeen heet cognitieve reserve.

Hoe komt cognitieve reserve tot uiting in het ziektebeloop van Alzheimer?

Onderzoek heeft laten zien dat mensen met veel cognitieve reserve hun eerste symptomen meestal in een later stadium ontwikkelen dan normaal. De hersenen lijken meer hersenschade te kunnen verdragen voordat dit een achteruitgang van de denkfuncties veroorzaakt. Naast dit vermogen om het normale denkniveau langer vast te houden, lijkt ook iemands uitgangsniveau een rol te spelen. Mensen die altijd al een zeer goed geheugen hebben gehad, zullen pas bij een sterkere achteruitgang onder de norm vallen. Zelfs wanneer zij in een vroeg stadium al veranderingen in hun geheugen bemerken, zijn deze nog niet feitelijk vast te stellen door een dokter.

Tot op heden is nog niet bekend hoe deze verschijnselen – een bovengemiddeld uitgangsniveau en het langer behouden van het uitgangsniveau – verband met elkaar houden. Misschien zijn mensen die van nature een uitstekend geheugen hebben altijd al beter beschermd tegen achteruitgang van het geheugen? Hoe dan ook: beide vormen van cognitieve reserve leiden ertoe dat vergeetachtigheid pas in een later stadium van de ziekte van Alzheimer zichtbaar wordt.

Zit er een grens aan de beschermende werking van cognitieve reserve?

Elke patiënt met de ziekte van Alzheimer – ongeacht zijn of haar cognitieve reserve – zal op den duur geheugenproblemen ontwikkelen. Daarna volgt een periode waarin de klachten geleidelijk toenemen. Wanneer dit serieuze problemen in het dagelijks leven veroorzaakt, spreken we van ‘dementie’. Hoewel mensen met veel cognitieve reserve langer op een normaal niveau functioneren, gaat dit voordeel in deze volgende fase van de ziekte verloren. Zij gaan namelijk sneller achteruit dan andere patiënten. Onderzoekers vragen zich af waardoor dit komt: heeft het vermogen om te ‘compenseren’ voor hersenschade ook een keerzijde? Het lijkt erop dat mensen met veel cognitieve reserve in de vroege fase hard werken om het hoofd boven water te houden, maar vervolgens zinken als een baksteen zodra dit niet meer lukt. Wanneer hun hersenen geen weerstand meer kunnen bieden aan de ziekte, gaat het geheugen in versneld tempo achteruit en bereikt het hetzelfde niveau als dat van hun medepatiënten. In de gevorderde fase van de ziekte van Alzheimer zijn er dus nauwelijks verschillen meer tussen mensen met veel en weinig cognitieve reserve.

Hoe kan kennis over cognitieve reserve patiënten met Alzheimer helpen?

Met dit onderzoek hopen we meer inzicht te krijgen in hoe je cognitieve reserve kunt meten en welke mechanismen in de hersenen een rol spelen. Hiermee verwachten we patiënten op belangrijke manieren te kunnen helpen. Als we cognitieve reserve beter kunnen meten, dan betekent dit ook dat we een betere inschatting kunnen maken van de hoeveelheid cognitieve reserve die elke individuele patiënt heeft. En als we dát weten, kunnen we ook nauwkeuriger voorspellen hoe snel zijn of haar geheugen in de loop van de tijd achteruit zal gaan. Door de prognose te verduidelijken, verminderen we de onzekerheid over de toekomst die patiënten en hun mantelzorgers vaak ervaren. Daarnaast kunnen onze onderzoeksresultaten op de lange termijn ook bijdragen aan nieuwe behandelmogelijkheden. Omdat er nog weinig medicijnen voor de ziekte van Alzheimer bestaan, zijn we actief op zoek naar andere manieren om patiënten te helpen. Dat kan bijvoorbeeld door het ontwikkelen van een mentaal en/of fysiek trainingsprogramma om cognitieve reserve te verhogen. Omdat de hersenen beter om leren gaan met Alzheimer-eiwitten, krijgen deze mensen na training relatief minder geheugenproblemen van dezelfde hoeveelheid hersenschade.